JavaScript Menu Powered by Milonic
 

 

ds. Herman Koetsveld
Guus Osterstraat 14
7558 SH Hengelo
tel: 074-278.32.03 
e-mail:
Jesaja 62:1-5 Johannes 2:1-11 Thaborkerk 15 januari 2012

In een aantal gesprekken die ik had in het kader van het project 20+ werd het verhaal van de bruiloft te Kana genoemd. Samen overigens met het verhaal dat Jezus over het meer van Galilea liep. ‘Dat kan niet’ , zeggen die jong-volwassenen, ‘daar geloof ik niet meer in’. Te moeten geloven dat Jezus ooit op een feestje water in wijn veranderde, dat blijkt een struikelblok voor mensen van nu en ze haken af. Ik zeg: dat snap ik. Als geloof betekent dat je zou moeten aannemen dat er ooit dingen gebeurden die helemaal niet kunnen en die op die manier zich nu zeker niet laten herhalen, tja, waarom zou dat van belang zijn voor jou anno 2012?

Ooit zette ik wat aarzelende stappen als docent godsdienst in het middelbaar onderwijs. Ik herinner me het nog goed: voor een klas MEAO-leerlingen stelde ik de vraag: wie is Jezus volgens jullie? Dat bleek een moeilijke vraag. Uiteindelijk stak een meisje haar vinger op: ‘volgens mij was Jezus een soort tovenaar’. Tovenaar?’ ‘Ja, - hoe zat dat ook al weer – maar hij kon toch water in wijn veranderen of zoiets?‘ Gelach in de klas en huiswerk voor mij.

De verhalen van het evangelie zijn wel degelijk opgevangen, maar in de kinderlijke verbeelding versmald tot hocus pocus. En ja, hoe begrijpelijk als mensen daar gaandeweg de richting van de volwassenheid afstand van nemen.
Afgelopen woensdagavond hadden we een leerhuis over deze tekst. Een volle kring van mensen werd gevraagd dit overbekende verhaal nog eens te lezen en als het ware te nippen aan de woorden, zoals de ceremoniemeester aan het zojuist ingeschonken glas.

Het verhaal wordt geschonken in de taal van de Naardense Bijbel. Nederlands, maar dicht op de huid van het Griekse origineel. Er wordt in die groep geroken aan en geproefd van het uitzonderlijke aroma van deze vertelling. Een zweem mystiek vermengd met het kruidige woord waarmee Jezus zijn moeder op afstand zet. Een smaak die de verbeelding aanspreekt en die alle ruimte blijkt te geven voor nieuwe vragen, nieuwe inzichten, nieuwe associaties en interpretaties. En dat is precies wat de verteller Johannes voor ogen heeft. En iedereen ontdekt met al die associaties die in dit verhaal over elkaar heen buitelen de symbolische rijkdom van deze vertelling, van deze woorden. Een verhaal ingeschonken en aangereikt als de allerbeste wijn.

Vlak hiervoor heeft Jezus zijn leerlingen geroepen. Met een van hen, Nathanaël, heeft hij een gesprek over wat hij zal gaan meemaken als leerling van Jezus. En dan staat er dat Jezus zegt: ‘Vast en zeker is het, zeg ik je: je zult de hemel open zien met de engelen Gods opklimmend en neerdalend op de zoon des mensen’. Die beweging is Johannes ten voeten uit: opklimmend en neerdalend. Hemel en aarde worden in Christus met elkaar verbonden. Zijn afkomst ligt in God, dan daalt hij als het ware neer en is hij onder ons. Maar hij zal weer opklimmen: zijn toekomst ligt in God. En daarom, in de verbondenheid van het geloof in Christus: jouw afkomst ligt in God, jouw toekomst ligt in God. Opklimmend en neerdalend. En neerdalend en opklimmend. De pendelbeweging van het licht. De pendelbeweging van het leven zelf.

En dan volgt het verhaal van die derde dag dat er een bruiloft ‘geschiedt’. Dat is een verhaal van opklimming, want, zo luidt de conclusie aan het eind: ‘zo laat Jezus zijn glorie verschijnen en komen zijn leerlingen tot geloof in hem’. En wat volgt dan? Inderdaad: ‘daarna daalde hij af naar Kafarnaüm…’ Een goede lezer had het gezien…

Deze bruiloft is dus van de categorie ’derde dag’. Een dag van opstandings-kwaliteit. Een dag waarop de aardsheid, onze sterfelijkheid, onze beperktheid wordt opgetild tot een hemels perspectief. Een dag waarop onze alledaagsheid van het water op het niveau wordt gebracht van de wijn van de bruiloft van het koninkrijk dat aanbreekt. Als de Eeuwige – zoals Jesaja dat al zoveel eerder voor zich zag - als bruidegom ons, zijn mensen ten huwelijk heeft gevraagd.

Het valt me op, zegt iemand in die kring van het leerhuis, de bruid is de grote afwezige in dit verhaal. En nu denk ik, ja natuurlijk is die afwezig. Want dat zijn wij, dat zijn de lezers. Dat is de mensheid waarvoor de Allerhoogste is neergeknield met de vraag: wil je met me trouwen? Zullen wij samen in een liefdesverbond gaan leven, nee niet tot de dood ons scheidt, maar tot in eeuwigheid? En als dan eindelijk het zover is, als al die avonturen met andere goden als partners zijn stukgelopen, als dat antwoord eindelijk voluit klinkt, ‘Ja, ik wil’ dan zal er dat bruiloftsmaal zijn. Ook dat klinkt door in dit verhaal.

Nee, er wordt geen wijn tevoorschijn getoverd. Maar er wordt water getransformeerd tot wijn. Hoe? Geen woord daarover. Is ook niet van belang, want daar gaat het dus ook niet om. Het gewone van alledag, het reinigingswater getransformeerd tot het meest vreugdevolle, de allerbeste wijn.

Maria constateert als eerste dat er geen wijn meer is. Opmerkelijk. Zij is gast. Net als Jezus en zijn leerlingen. Normaalgesproken wordt de ceremoniemeester als eerste op de hoogte gebracht. Maar Johannes heeft een speciale bedoeling met deze scene van Jezus en zijn moeder. Hij herinnerde zich dat er in het begin van Jezus’ optreden spanningen ontstonden tussen Jezus en zijn familie. Als oudste zoon had Jezus immers automatisch de verantwoordelijkheid voor het timmermansbedrijf gekregen na de vroege dood van zijn vader Jozef. Maar op een dag was hij gewoon opgestapt, had een groep leerlingen om zich heen verzameld en begon met hen rond te trekken in vooral Galilea.

Zijn familie was verbijsterd, maar ze hadden het er niet bij laten zitten. Volgens de andere evangelisten was dat uitgelopen op een voor Maria en de broers en zussen van Jezus wel zeer pijnlijke confrontatie. Ze hadden hem opgezocht. Maar Jezus had hen publiekelijk, zonder hen te willen zien, opzij gezet als zijn familie. Kijk, deze mensen om mij heen, zo had hij gezegd, zij zijn mijn moeder en broers en zussen.

En ook hier in de versie van Johannes is er zo’n scherp en afstand nemend woord van Jezus naar Maria: wat van mij, wat van jou, vrouw? Zo staat het er letterlijk. Zeker, soms is het o zo nodig om als kind duidelijk te maken dat je geen kind meer bent, maar volwassen, gegroeid naar wie je zijn mag, zijn wilt, zijn moet misschien wel. Dan moet de ouder loslaten. En vertrouwen geven. Dat is voldoende. Moeilijk soms, maar voldoende. En precies dat is de reactie van Maria. Zij antwoordt niet op de uitval van Jezus. Zij begrijpt dat zijn weg een andere is. Een weg van opklimmen en vooral neerdalen. ‘Wat hij u ook zegt, fluistert zij de bedienden toe, doe dat’.

Jezus zegt er nog iets bij. Hij zegt: mijn uur is nog niet gekomen. Hier op dit hoge feest van de liefde, dit is nog niet het uur. En dan gaat het niet om een uur van de klok, maar dan gaat het om het aangelegen tijdstip. Je weet wel, je herkent het
wel, het gaat om het onherhaalbare moment als de tijd rijp is. Johannes schrijft heel precies. Later, bij die laatste maaltijd, vlak voor zijn dood heeft Jezus uitgebreide gesprekken. En dan staat er: ‘Als Jezus dit alles heeft uitgesproken heft hij zijn ogen ten hemel en zegt: Vader, het uur is gekomen, verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon u mag verheerlijken’.

Hoor je hoe dubbel, hoe paradoxaal. Het uur, het aangelegen moment, is dat van zijn naderende dood. Maar Jezus zegt dat die beweging van neerdalen tegelijkertijd een beweging van opklimming is: van verheerlijking. Van glorie. Tegen zijn moeder: wat van jou, wat van mij, vrouw, mijn uur is nog niet gekomen. Maar later tegen zijn hemelse Vader die intimiteit: Vader, het uur is gekomen. Hoor je het? Al die thema’s vol verwijzing, vol symboliek, vol spanningsbogen dwars door het evangelie heen?

Nee, dit is nog niet bepaald het hemels bruiloftsmaal. Sterker nog het is een beetje een rommeltje. Want er is niet alleen onvoldoende wijn, maar ook de watervoorraad blijkt tegen alle voorschriften niet op peil. Ook de dingen van ons gewone leven schieten soms ernstig tekort. Zijn niet onderhouden. Is soms te weinig aandacht aan besteed. Terwijl dat nu juist de zaken zijn die wij wel in de hand hebben. Waar we wel zelf zorg voor kunnen dragen. ‘Giet die watervaten vol met water’, zegt Jezus. Een watervoorraad die naar de voorschriften van toen altijd er moet zijn. Uiterlijke reinheid als symbool voor innerlijke zorgvuldigheid. Dat moet wel op peil zijn natuurlijk. Een associatie:

In de krant die als eerste na de Kerstdagen verscheen stond een foto van een man tussen de schappen van een winkel. Het bleek dat een aantal winkels ook op eerste kerstdag open was geweest. Als experiment, zo stond er bij en deze klant had er dus gebruik van gemaakt. Zelfs die ene dag waarin wereldwijd de vrede op aarde en de glorie aan God bezongen wordt, en er tijd is om op een of andere manier stil te staan bij die beweging van neerdalen en opklimmen van godswege, zelfs die ene, allerlaatste dag die nog tot het randje gevuld was met het water van de aandacht voor het andere, voor die Andere, die zo gewoon en zo bijzonder onze wereld betreedt, zelfs die laatste heilige dag is nu verspild. Niets, geen moment in onze samenleving is meer heilig. In de afgelopen Kerst zijn we die grens gepasseerd. De relatie met de afgod van de Markt is inniger, hartstochtelijker, maar ook ongelukkiger dan ooit.

‘Vul de vaten opnieuw met water’. Ze doen dat. Ze? Opnieuw: goed lezen: het zijn de bedienden. Letterlijk, het zijn de diakenen. Het zijn de enigen die weten van het geheim van het water dat geschonken wordt als wijn. De ceremoniemeester begrijpt er niets van. Hij krijgt de rol van de vertolker van de buitenstaander.
Hij zegt wat mensen denken: hoe kan nu ooit het water van mijn gewone leven getransformeerd worden tot de wijn van de vreugde van het liefdesverbond met de Eeuwige?

Maar zij die dienen, zij die hun leven dienstbaar maken aan iets dat groter is dan zij zelf zijn: zij kennen het geheim. Zij delen het rond. Zij zijn met hun hele hebben en houden aan het ‘diakenen’ geslagen. Precies zoals hun speciale gast uit Nazareth bedoelde, die van zichzelf zei dat hij niet was gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.

Nee, deze mens is geen tovenaar. Maar hij brengt van Godswege wel iets tot stand dat velen voor onmogelijk houden: hij zet mensen aan om in beweging te komen. De beweging van opklimmen en neerdalen en neerdalen en opklimmen. Precies zoals hij dat zelf heeft voorgeleefd. En in die beweging blijken mensen te kunnen veranderen. Zij blijken ‘diakenen’, dienaars van de liefde te kunnen worden. Mensen in wie het wonder van de transformatie van het water van het gewone tot de vreugde van de wijn van Gods rijk zichtbaar wordt. Dat is was zij delen.

Begrijp je? De verteller zegt het er nog voor de zekerheid even bij: dit verhaal is een teken, een wegwijzer: zo gaat het er in het rijk Gods aan toe. In alle eenvoud: met het oog op jouw vertrouwen. Want ook in jouzelf kan dat wonder gebeuren, geschieden. Want er komt altijd zo’n derde dag waarop de liefde gevierd zal worden!


 

Laatste wijziging 17-01-2012 door webmaster


Menu Milonic.com