De komst van de predikanten

In 1618 verschijnt de eerste predikant, ds. H. Meiling. Deze is echter remonstrant en de classis Deventer, die streng Calvinistisch is, zet hem de voet dwars. In 1619 wordt hij onwettig verklaard. Hij preekt nog een periode buiten de kerk op het kerkhof maar vertrekt tenslotte.

Welke rol Unico Ripperda gespeeld heeft is onbekend. De kerk is dan eigendom van de bewoners van het huis. Ripperda had het collatierecht, althans dat wilde hij hebben. Of hij de predikant benoemde en later meewerkte aan het ontslag, is onduidelijk. Na een kwestie over het collatierecht komt er pas in 1643 een predikant en vanaf die tijd is er een ononderbroken rij voorgangers tot nu toe.

Als in 1643 de predikant J. Kuchlinus aantreedt, is er nog geen sprake van een gemeente, zoals we die nu kennen. De predikant wordt aangesteld en betaald door de Heer van Huis Hengelo, Wilhelm Ripperda. Wel zijn er vanaf 1643 doop- en trouwboeken bijgehouden.

In 1684 komt de predikant A. Reminck, die ook een lidmatenboek begint.

In 1737 besluiten de Staten van Overijssel dat er in plaatsen waar nog geen kerkenraad is, er één moet worden aangesteld. Vanaf 1737 is er dan een notulenboek en we zien dat er 2 ouderlingen en 2 diakenen zijn. De predikant is praeses en scriba.

In 1824 komt er een kerkvoogdij (5 kerkvoogden en 8 notabelen).

In 1830 komt er een einde aan het benoemen van de predikant door de Heer van Hengelo. Ds. Hoogstraten is de eerste die door de kerkenraad wordt gekozen en beroepen (en betaald).

De bewoners van het Huis Hengelo en eigenaren van het kerkgebouw weigeren nogal eens de kerk te onderhouden en vanaf 1817 gaan er stemmen op voor een nieuw te bouwen kerk. Het duurt nog tot 1830 voordat de kerk overgedragen wordt aan de Hervormde gemeente. Niet alleen is de kerk dan in slechte staat maar hij is ook te klein voor de groeiende gemeente (300 plaatsen).
Vanaf dat moment van overdracht (er zijn ook gronden van Huis Hengelo aan de kerk geschonken) gaat men serieus streven naar een nieuwe kerk, die in 1839 in dienst wordt genomen. Stukken over bouw e.d. zijn ruim voorhanden.

Collatierecht

collator = hij die collatierecht bezit. Dat is het recht om [mede] een geestelijke, koster of schoolmeester te benoemen. Het collatierecht is afgeleid van het Beneficium. Beneficium is het vaste inkomen, dat aan een bepaald kerkelijk ambt blijvend verbonden is en voortkomt uit kerkelijk vermogen. Een bekleder van het ambt, officium, ontvangt vaak zo’n beneficium, zodat dit woord de betekenis krijgt van ambt met een vast inkomen. Sinds de 6e eeuw is het gebruik om zulke beneficia in te stellen opgekomen.

Gedurende de middeleeuwen heeft het op het kerkelijke rechtsleven een bepaald stempel gezet. Niet alleen bisschoppen hadden het recht een beneficium te stichten, maar ook leken, kloosters en corporaties. Deze hadden daarbij het recht om allerlei bindende bepalingen te maken ten opzichte van het ambt zelf, zoals het patronaatsrecht of collatierecht. Dat is het recht tot het verlenen van kerkelijke ambten met de daaraan verbonden inkomsten. Dit recht kan niet gehanteerd worden zonder de medewerking van de bisschop of een andere bevoegde kerkelijke autoriteit, die steeds de zielszorg moet opdragen aan de te benoemen persoon.

Maar in de middeleeuwen ontwikkelde zich de praktijk dat anderen het beneficium toewezen en de persoon benoemden, zoals grondbezitters, die het recht hadden verworven doordat zij grond beschikbaar hadden gesteld, een gebouw hadden bekostigd of fondsen hadden gesticht. Na de Reformatie is dit recht bij de protestanten blijven bestaan, met name bij het beroepen van de predikanten. In de periode 1795 tot 1922 is het van lieverlee afgeschaft. Sommigen deden vrijwillig afstand van het recht zoals Groen van Prinsterer. Bij de grondwetswijziging van 1922 is het volledig afgeschaft. Het collatierecht is in strijd met de bepalingen uit de Dordtse Kerkenorde artikel 6 “Ook zal geen Dienaar [bedoeld is predikant S.K.] dienst mogen aannemen in eenige particuliere heerlijkheden, gasthuizen, of anderszins, tenzij dat hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en hij zal ook niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn”, maar de praktijk was dikwijls sterker dan de leer.
Dit artikel dateerde al uit de kerkenorde van 1578 en was onder andere opgenomen in verband met het feit, dat Prins Willem I van Oranje een hofprediker aanstelde. Dat kon dus alleen met goedkeuring van een kerkelijke gemeente, lees kerkenraad.